Naar inhoud springen

carotte

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  carotte     la carotte     carottes     les carottes  

carotte v

  1. (groente) wortel [1]
  2. (spreektaal) kleine diefstal
    «Ce fric, c'est une carotte que j'ai faite à Louis.»
    Dat geld heb ik van Louis afgetroggeld. [1]
  3. (spreektaal) motivatie
    «A la fin de l'année, la carotte, tu l’as dans l’cul.»
    Aan het eind van het jaar is je motivatie ver weg (letterlijk: in de kont) [1]
  4. (spreektaal) bedrog, verlakkerij
    «A la fin du film, ce mec met une carotte à ses potes en se tirant avec tout le pognon.»
    Aan het eind van de film bedriegt die kerel zijn maten door er met alle poen vandoor te gaan. [1]
vervoeging van
carotter

carotte

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van carotter
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van carotter
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van carotter