bosbouwkundig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·bouw·kun·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bosbouwkundig bosbouwkundiger bosbouwkundigst
verbogen bosbouwkundige bosbouwkundigere bosbouwkundigste
partitief bosbouwkundigs bosbouwkundigers -

Bijvoeglijk naamwoord

bosbouwkundig

  1. met betrekking tot de kennis over de teelt van bomen, vanuit de studie naar aanleg en beheer van bossen
    • De natuur krijgt van de verzekeraar de vrije hand. Rentmeester Luuk Geerts: „Bosbouwkundig is er niets mogelijk, dus laten we het maar zo." [2]

Gangbaarheid

Verwijzingen