bonsai
Uiterlijk
- bon·sai
- Leenwoord uit het Japans, in de betekenis van ‘dwergboompje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1984 [1] [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bonsai | bonsais |
| verkleinwoord | - | - |
de bonsai m
- (plantkunde) gekweekt boompje in kamerplantformaat
- de in Japan ontwikkelde techniek om dwergbomen te kweken
- Het woord bonsai staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bonsai" herkend door:
| 93 % | van de Nederlanders; |
| 91 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "bonsai" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ bonsai op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Plantkunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 93 %
- Prevalentie Vlaanderen 91 %