bonk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bonk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bonk bonken
verkleinwoord bonkje bonkjes

Zelfstandig naamwoord

bonk m

  1. (onomatopee) een bonkend geluid.
  2. een harde klont
    • Er zaten allemaal bonken in het beslag. 
  3. (overdrachtelijk) een stevige kerel.
    • Wat een een bonk van een vent, kwam daar ineens door de deur. 
  4. een grote knikker
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bonken

bonk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
    • Ik bonk. 
  2. gebiedende wijs van bonken
    • Bonk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
    • Bonk je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Surinaams

Werkwoord

bonk

  1. werpen