bonhomie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bon·ho·mie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘natuurlijke wellevendheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1] [2]
  • afgeleid van het Franse bonhomme (met het achtervoegsel -ie) [3] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bonhomie -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bonhomie v [4]

  1. natuurlijke goedhartigheid / wellevendheid
     Ik complimenteerde hem met zijn indrukwekkende vertoon van bonhomie. Hij glimlachte verveeld.[5]
Synoniemen

Gangbaarheid

30 % van de Nederlanders;
29 % van de Vlamingen.

Verwijzingen