bezatten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zat·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zat met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezatten
bezatte
bezat
zwak -t volledig

Werkwoord

bezatten

  1. wederkerend zich tot dronkenschap bedrinken
    • De hele bende bezatte zich die nacht en er volgde een wild feest. 

Werkwoord

vervoeging van
bezatten

bezatten

  1. meervoud verleden tijd van  zich bezatten
    • Wij bezatten ons. 
    • Jullie bezatten je. 
    • Zij bezatten zich. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be