bespoedigt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spoe·digt

Werkwoord

vervoeging van
bespoedigen

bespoedigt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bespoedigen
    • Jij bespoedigt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bespoedigen
    • Hij bespoedigt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van bespoedigen
    • Bespoedigt!