bespoedigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spoe·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bespoedigen
bespoedigde
bespoedigd
zwak -d volledig

Werkwoord

bespoedigen

  1. overgankelijk een proces of ontwikkeling versnellen, sneller tot het eind brengen
    • Wanneer de gevraagde stukken bij de aanvang van de controle aanwezig zijn, bespoedigt dit de gang van zaken. 
    • De therapie bespoedigde het herstel bij een deel van de patiënten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.