beschimpte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schimp·te

Werkwoord

vervoeging van
beschimpen

beschimpte

  1. enkelvoud verleden tijd van beschimpen
    • Ik beschimpte. 
    • Jij beschimpte. 
    • Hij, zij, het beschimpte. 
  2. verbogen vorm van beschimpt, voltooid deelwoord van beschimpen