belommeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lom·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van lommer met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belommeren
belommerde
belommerd
zwak -d volledig

Werkwoord

belommeren

  1. overgankelijk schaduw verlenen
    • De oude kastanjeboom belommerde het bankje bij de prachtige vijver en maakte het op deze hete dag een aangename plek om enige tijd te verpozen. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid