bekogelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ko·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van kogel met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekogelen
bekogelde
bekogeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bekogelen

  1. overgankelijk iemand aan het gooien met projectielen blootstellen
    • Hij werd met eieren bekogeld. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.