beid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beid

Werkwoord

vervoeging van
beiden

beid

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beiden
    • Ik beid. 
  2. gebiedende wijs van beiden
    • Beid! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beiden
    • Beid je? 


Limburgs

Uitspraak

Hoofdtelwoord

beid

  1. (Hooglimburgs) beide