beangstigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ang·sti·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van angst met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ig of afgeleid van angstig met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beangstigen
beangstigde
beangstigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beangstigen

  1. overgankelijk vrees inboezemen
    • De gedachte aan een mogelijk terugkeer ervan beangstigde hem nauwelijks. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be