beangstigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ang·sti·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van angst met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ig of afgeleid van angstig met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beangstigen
beangstigde
beangstigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beangstigen

  1. (overgankelijk) vrees inboezemen
    De gedachte aan een mogelijk terugkeer ervan beangstigde hem nauwelijks.
Vertalingen