assurer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
assurer
assurais
assuré
eerste groep volledig

Werkwoord

assurer

  1. verzekeren, beveiligen
  2. (spreektaal) iets aankunnen, het varkentje kunnen wassen
    «Le toubib a la trouille lui-même, j'espère qu'il va assurer
    De dokter knijpt 'm zelf, ik hoop dat-ie het aankan. [1]
  3. (spreektaal) een goede indruk maken
    «Pas mal, la petite brunette là-bas, va falloir assurer
    Niet slecht die kleine brunette daar, ik moet zorgen dat ik goed voor de dag kom! [1]
  4. (spreektaal) een goed resultaat behalen
    «Cette année, faut que j’assure pour le bac.»
    Dit jaar moet ik slagen voor mijn eindexamen. [1]

Verwijzingen