verzekeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
verzekeraar verzekerbaar
verzekerde verzekerd
verzekering -
Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ze·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verzekeren
verzekerde
verzekerd
zwak -d volledig

Werkwoord

verzekeren

  1. overgankelijk verklaren dat iets toekomstigs met zekerheid te verwachten is
    • Hij verzekerde dat er geen ontslagen zouden vallen. 
     Alsof hij zich verantwoordelijk voelde voor de hele schepping, verontschuldigde hij zich voor de argwaan in de moderne wereld, die hem ertoe verplichtte bepaalde formaliteiten in acht te nemen, maar hij verzekerde mij dat we daar later nog een geschikt moment voor konden vinden, wanneer ik zou zijn uitgerust van mijn verplaatsing.[1]
  2. overgankelijk tegen betaling van een premie een contract afsluiten waarbij bepaald wordt dat bij eventuele schade gedekt zal worden
    • Zij hadden gelukkig hun reis verzekerd zodat zij bij dat ongeluk hulp konden inroepen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 14