verzekeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
verzekeraar verzekerbaar
verzekerde verzekerd
verzekering -
Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ze·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verzekeren
verzekerde
verzekerd
zwak -d volledig

Werkwoord

verzekeren

  1. (overgankelijk) verklaren dat iets toekomstigs met zekerheid te verwachten is
    Hij verzekerde dat er geen ontslagen zouden vallen.
  2. (overgankelijk) tegen betaling van een premie een contract afsluiten waarbij bepaald wordt dat bij eventuele schade gedekt zal worden
    Zij hadden gelukkig hun reis verzekerd zodat zij bij dat ongeluk hulp konden inroepen.
Vertalingen