beveiligen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

IPA: /bəˈvɛiləxə(n)/

Woordafbreking
  • be·vei·li·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van veilig met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beveiligen
beveiligde
beveiligd
zwak -d volledig

Werkwoord

beveiligen

  1. overgankelijk er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
    • Een slot moest het pand beveiligen tegen inbrekers. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.