arboretum
Uiterlijk
- ar·bo·re·tum
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bomentuin’ voor het eerst aangetroffen in 1768 [1]
- [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arboretum | arboreta arboretums |
| verkleinwoord | - | - |
- (wetenschappelijke) verzameling van aangeplante boomsoorten
- Het woord arboretum staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "arboretum" herkend door:
| 62 % | van de Nederlanders; |
| 77 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "arboretum" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ arboretum op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 62 %
- Prevalentie Vlaanderen 77 %