arbeidt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·beidt

Werkwoord

vervoeging van
arbeiden

arbeidt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arbeiden
    • Jij arbeidt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arbeiden
    • Hij arbeidt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van arbeiden
    • Arbeidt! 


Nynorsk

Woordafbreking
  • ar·beidt

Werkwoord

arbeidt

  1. voltooid deelwoord van arbeide
Synoniemen