annuleert

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·nu·leert

Werkwoord

vervoeging van
annuleren

annuleert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van annuleren
    • Jij annuleert. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van annuleren
    • Hij annuleert. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van annuleren
    • Annuleert!