alwetend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·we·tend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen alwetend alwetender alwetendst
verbogen alwetende alwetendere alwetendste
partitief alwetends alwetenders -

Bijvoeglijk naamwoord

alwetend [1]

  1. dat iemand of iets alles weet
    • Alleen god is alwetend. 
  2. van mensen die wel heel erg veel weten
    • Voor het alwetend oog van moeder blijft niets verborgen. 
    • In veel proza komt een alwetende verteller voor. 
     In zijn ogen stond nu de alwetende blik van een wereldreiziger te lezen die al wat noemenswaardig was minstens twee keer had beleefd.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be