Naar inhoud springen

afdakje

Uit WikiWoordenboek
  • af·dak·je

hetafdakjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord afdak
     Opnieuw reed ik het woninkje voorbij waar onder een afdakje twee mannen van in de zestig, zeventig, zich de zondagse rust lieten welgevallen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 21 juni 2026 Weblink bron “Met ons allen van het dwaalspoor af!” (2005), Alphons Levens, Paramaribo, ISBN 9991467432, p. 13