afbouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afbouw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afbouw m

  1. (bouwkunde) het tot voltooiing afbouwen van een bouwwerk
  2. geleidelijke beëindiging als functie van tijd of een andere parameter
    • In dit intakegesprek worden uw problemen geïnventariseerd en wordt er met u gesproken over uw motivatie voor de afbouw van uw medicatie 
    • De dubbele heffingskorting voor kostwinners wordt in 15 jaarlijkse stappen afgebouwd. 
    • De algemene heffingskorting wordt, als functie van het inkomen in box 1, in de tweede en derde schijf afgebouwd. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
afbouwen

afbouw

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afbouwen
    • ... dat ik afbouw.