acajou

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aca·jou
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord acajou acajous
verkleinwoord acajoutje acajoutjes

Zelfstandig naamwoord

acajou o

  1. hout van een tropische boom Anacardium occidentale
  2. drank vervaardigd van de acajouappel
  3. de noot die de acajouappel bevat
Synoniemen

Gangbaarheid

26 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen