abriter
Uiterlijk
- van abri met het achtervoegsel -er met het invoegsel -t-, verving het eerder werkwoord abrier wat dezelfde betekenis had [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| abriter |
abritais |
abrité |
| eerste groep | volledig | |
abriter
- overgankelijk beveiligen, beschermen
- overgankelijk herbergen; tot verblijf dienen; bevatten
- ↑ abriter (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.