abocar
Uiterlijk
- IPA: /a.βoˈkaɾ/
- a·bo·car
abocar
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| abocar |
abocaba |
abocado |
| volledig | ||
- onovergankelijk (~ a) leiden tot, resulteren in
- overgankelijk overhevelen, overgieten, decanteren
- dichterbij zetten, naderbij brengen
- met de mond pakken
- [2] trasvasar, transvasar, decantar
- [3] acercar