resulteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·sul·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
resulteren
resulteerde
geresulteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

resulteren

  1. absoluut tot gevolg hebben
    • Dit resulteerde in een ernstige credietcrisis. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen