resulteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·sul·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
resulteren
resulteerde
geresulteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

resulteren

  1. (absoluut) tot gevolg hebben
    Dit resulteerde in een ernstige credietcrisis.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Wiktionnaire
  2. etymologiebank.nl