abblitzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·blit·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van het Duitse bijwoord ab en het Duitse werkwoord blitzen
Naar frequentie 33846
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
abblitzen
blitzte ab
(ist) abgeblitzt
zwak volledig

Werkwoord

abblitzen

  1. onovergankelijk afpoeieren, afschepen, afwijzen
Typische woordcombinaties
  • jemand abblitzen lassen
iemand afwijzen