Naar inhoud springen

aarzelt

Uit WikiWoordenboek
  • aar·zelt
vervoeging van
aarzelen

aarzelt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aarzelen
    • Jij aarzelt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aarzelen
    • Hij aarzelt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van aarzelen
    • Aarzelt! 
     Ik wil u vragen dat te gebruiken, en liever geen antwoord te geven als u aarzelt.[1]
     Haar hand aarzelt niet.[2]
  1. Håkan Nesser
    “Het grofmazige net” (2001), De Geus (uitgeverij), ISBN 9789044524048
  2. “Corps delcti” (2009), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789041417480