aanging
Uiterlijk
- aan·ging
| vervoeging van |
|---|
| aangaan |
aanging
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aangaan
- ... dat ik aanging.
- ... dat jij aanging.
- ... dat hij, zij, het aanging.
- ... dat ik aanging.
- ▸ In boek zes van De staat beschreef Plato hoe Socrates een gesprek aanging met ene Adeimantos waarin hij deze probeerde te overtuigen van de tekortkomingen van de democratie door de samenleving met een schip te vergelijken.[1]
- ▸ Hoewel het haar niets aanging, lukte het me niet om haar opmerkingen uit mijn hoofd te zetten.[2]
- Het woord aanging staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ “Hoe overleef ik de moderne wereld” (2033), Atlas Contact
, ISBN 9789045045979 - ↑ Jessie Burton (vert.Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal