aanblaas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·blaas

Werkwoord

vervoeging van
aanblazen

aanblaas

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanblazen
    • ... dat ik aanblaas.