aanbid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bid

Werkwoord

vervoeging van
aanbidden

aanbid

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanbidden
    Ik aanbid.
  2. gebiedende wijs van aanbidden
    Aanbid!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanbidden
    Aanbid je?


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
aanbid
aanbid
volledig

Werkwoord

aanbid

  1. aanbidden