zwichten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zwich·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zwichten |
zwichtte |
gezwicht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
zwichten
- (ergatief) toegeven, wijken; het moeten afleggen
- De vijand zwichtte onder de druk van de onverwachte hevige aanval.
- (overgankelijk), (molenaarsambacht) het aanpassen van de zeilvoering op de wieken i.v.m. de windsterkte
- Bij sterkere wind moet je de molen zwichten door zeil te minderen, bij zwakkere wind juist meer zeil spannen.
Afgeleide begrippen
Zelfstandig naamwoord
zwichten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zwicht