zog
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /zɔx/
Woordafbreking
- zog
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zog | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
zog o
- dat wat een zuigeling zuigt
- Vroeger werd ter versterking van het zog aanbevolen dat vrouwen bier zouden drinken.
- de zuiging ontstaan door de beweging van een voorwerp in water of lucht
- Het zog achter zo'n vrachtwagen is niet te onderschatten.
- (overdrachtelijk, in het ~ van:) in het vervolg van iets
- In het zog van die affaire werd er veel meer jacht op dit soort misdadigers gemaakt.
Synoniemen
- [1]: moedermelk