zog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zog
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zog o

  1. dat wat een zuigeling zuigt
    Vroeger werd ter versterking van het zog aanbevolen dat vrouwen bier zouden drinken.
  2. de zuiging ontstaan door de beweging van een voorwerp in water of lucht
    Het zog achter zo'n vrachtwagen is niet te onderschatten.
  3. (overdrachtelijk, in het ~ van:) in het vervolg van iets
    In het zog van die affaire werd er veel meer jacht op dit soort misdadigers gemaakt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen