zuigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| zuigen | zuigend |
| zog | gezogen |
| zuiging | |
| zuigeling | |
| zuiger | |
Uitspraak
Woordafbreking
- zui·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zuigen |
zoog |
gezogen |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
zuigen
- een verlaagde druk aanleggen met de mond of met een apparaat
- Deze machines zuigen aan de bovenkant warme lucht aan.
- (informeel) doorgaand treiteren, telkens opnieuw beginnen over iets met de bedoeling iemand anders kwaad te maken
- Zit niet zo te zuigen!
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] aanzuigen, inzuigen, opzuigen, stofzuigen, wegzuigen, zuigeling, zuiger, zuigkracht, zuignap, zuigtablet
Verwante begrippen
- [1] sabbelen
Vertalingen
1. een verlaagde druk aanleggen met de mond of met een apparaat