zette af

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zet·te af

Werkwoord

vervoeging van
afzetten

zette af

  1. enkelvoud verleden tijd van afzetten
    Ik zette af.
    Jij zette af.
    Hij, zij, het zette af.
  2. aanvoegende wijs van afzetten