zeg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeg
enkelvoud meervoud
naamwoord zeg -
verkleinwoord zegje zegjes

Zelfstandig naamwoord

zeg m

  1. voornamelijk als verkleinwoord een uiting van wat men in een vergadering in te brengen heeft
    Nadat hij eindelijk zijn zegje gedaan had, ging men over tot het volgende punt.
Uitdrukkingen en gezegden

Zijn zegje doen.

  • Zijn standpunt uiteenzetten.

Werkwoord

vervoeging van
zeggen

zeg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeggen
    Ik zeg.
  2. gebiedende wijs van zeggen
    Zeg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeggen
    Zeg je?
  4. een aankondiging van een voorbeeld
    De kookpunten van metalen uit het d-blok, zeg wolfraam, zijn bijzonder hoog.
Opmerkingen
  • Betekenis 4 is een verkorting van de aanvoegende wijs zegge.