zeg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zeg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zeg | - |
| verkleinwoord | zegje | zegjes |
Zelfstandig naamwoord
zeg m
- voornamelijk als verkleinwoord een uiting van wat men in een vergadering in te brengen heeft
- Nadat hij eindelijk zijn zegje gedaan had, ging men over tot het volgende punt.
Uitdrukkingen en gezegden
Zijn zegje doen.
- Zijn standpunt uiteenzetten.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zeggen |
zeg
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeggen
- Ik zeg.
- gebiedende wijs van zeggen
- Zeg!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeggen
- Zeg je?
- een aankondiging van een voorbeeld
- De kookpunten van metalen uit het d-blok, zeg wolfraam, zijn bijzonder hoog.
Opmerkingen
- Betekenis 4 is een verkorting van de aanvoegende wijs zegge.