wikken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wik·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wikken |
wikte |
gewikt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
wikken
- (verouderd) op de hand wegen
- Wik eens welke de zwaarste is. Arch. (1811) [1].
- afwegen in de zin van tobben, overdenken
- De mens wikt maar God beschikt.
- Al dat wikken en wegen heeft toch zin, ik zie wel.
Uitdrukkingen en gezegden
- Wikken en wegen.
Vertalingen
Verwijzingen
- ↑ Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811
Zelfstandig naamwoord
wikken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wik