vestiging
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ves·ti·ging
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van vestigen met het achtervoegsel -ing
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vestiging | vestigingen |
| verkleinwoord | vestigingetje, vestiginkje | vestigingetjes, vestiginkjes |
Zelfstandig naamwoord
vestiging v
- het zich vestigen.
- een locatie waar een organisatie vanuit werkt.