verzitten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·zit·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verzitten |
verzat |
verzeten |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
verzitten
- (ergatief) anders gaan zitten
- Terwijl de specht, zich onbespied wanend, rondom de takken rende, als had hij lijm aan zijn poten, roffelde, insecten opspeurde, verzat, versprong en pneumatisch vibreerde, vuurde ik een stortvloed aan vragen op hem af, zoals: Wat moet je nou hier?[1].
Opmerkingen
- Andere vormen dan de infinitief in gaan verzitten worden weinig gebruikt.
Verwijzingen
- ↑ Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2006
Dankwoord door Anton Valens