tweezijdig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- twee·zij·dig
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | tweezijdig |
| verbogen | tweezijdige |
Bijvoeglijk naamwoord
tweezijdig
- met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc;
- Het papier is tweezijdig bedrukt.