trokken aan
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- trok·ken aan
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aantrekken |
trokken aan
- meervoud verleden tijd van aantrekken
- Wij trokken aan.
- Jullie trokken aan.
- Zij trokken aan.
- Wij trokken aan.