trim

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • trim

Werkwoord

vervoeging van
trimmen

trim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trimmen
    Ik trim.
  2. gebiedende wijs van trimmen
    Trim!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trimmen
    Trim je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen