tippen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tip·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tippen
tipte
getipt
zwak -t volledig

Werkwoord

tippen

  1. (overgankelijk) een fooi geven
    Ik tip altijd een vast bedrag.
  2. (overgankelijk) een wenk, hint geven
    Hij werd vooraf getipt als de grote favoriet.
    Waakzame burgers tipten de politie.
  3. (overgankelijk) lichtjes aantikken
    Hij leunt achterover en tipt het kegeltje as van zijn sigaar.
  4. (overgankelijk) evenaren, op gelijke hoogte komen
    De omzetcijfers van dit jaar zijn goed, maar kunnen nog niet tippen aan die van vorig jaar.

Zelfstandig naamwoord

tippen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tip
Verwante begrippen


Deens

Woordafbreking
  • tip·pen

Zelfstandig naamwoord

tippen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van tip


Noors

Woordafbreking
  • tip·pen

Zelfstandig naamwoord

tippen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van tipp

Zelfstandig naamwoord

tippen, v

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van tippe
Synoniemen