tegenover
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- te·gen·over
Woordherkomst en -opbouw
Voorzetsel
tegenover
- aan de overzijde van
- Tegenover de supermarkt staat een bankgebouw.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. aan de overzijde van
Bijwoord
| vnw. bijw. | ||
|---|---|---|
| voorzetselbijwoord | tegenover | |
| persoonlijk | ertegenover | |
| aanwijz. | nabij | hiertegenover |
| veraf | daartegenover | |
| vragend/betrekk. | waartegenover | |
tegenover
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord (tegenoverstellen)
- Hij stelde daar wel iets tegenover.
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- Het bankgebouw staat er schuin tegenover.