tast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tast
enkelvoud meervoud
naamwoord tast -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tast m

  1. het zintuig van de aanraking, met name van de handen
    Het was pikkedonker, maar hij vond zijn weg op de tast.

Werkwoord

vervoeging van
tasten

tast

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van tasten
  2. gebiedende wijs van tasten

Meer informatie