stranden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Zelfstandig naamwoord
stranden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord strand
Uitspraak
Woordafbreking
- stran·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| stranden |
strandde |
gestrand |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
stranden
- (ergatief) aan de grond vastlopen
- Het schip strandde juist voor de havengeul.
Vertalingen
1. aan de grond vastlopen