stort
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stort
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| storten |
stort
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stort | storten |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
stort
- m en o plaats waar gestort kan worden
- o plaats waar modder tijdelijk opgeslagen wordt
- o een vertrek in een oude boerderij
Afgeleide begrippen
Deens
Woordafbreking
- stort
Bijvoeglijk naamwoord
stort, o
- onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van stor
Noors
Woordafbreking
- stort
| Naar frequentie | 513 |
|---|
Bijvoeglijk naamwoord
stort, o
- onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van stor
Bijwoord
stort
- grotendeels, voor het meerendeel
Nynorsk
Woordafbreking
- stort
Bijvoeglijk naamwoord
stort, o
- onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van stor
Bijwoord
stort
- grotendeels, voor het meerendeel
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woorden in het Deens
- Bijvoeglijk-naamwoordsvorm in het Deens
- Woorden in het Noors
- Bijvoeglijk-naamwoordsvorm in het Noors
- Bijwoord in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Bijvoeglijk-naamwoordsvorm in het Nynorsk
- Bijwoord in het Nynorsk