stort

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stort

Werkwoord

vervoeging van
storten

stort

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van storten
  2. gebiedende wijs van storten
enkelvoud meervoud
naamwoord stort storten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stort

  1. m en o plaats waar gestort kan worden
  2. o plaats waar modder tijdelijk opgeslagen wordt
  3. o een vertrek in een oude boerderij
Afgeleide begrippen


Deens

Woordafbreking
  • stort

Bijvoeglijk naamwoord

stort, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van stor


Noors

Woordafbreking
  • stort
Naar frequentie 513

Bijvoeglijk naamwoord

stort, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van stor

Bijwoord

stort

  1. grotendeels, voor het meerendeel


Nynorsk

Woordafbreking
  • stort

Bijvoeglijk naamwoord

stort, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van stor

Bijwoord

stort

  1. grotendeels, voor het meerendeel