snurken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- snur·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| snurken |
snurkte |
gesnurkt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
snurken
- (inergatief) ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
- Mensen die snurken hebben daar vaak, direct of indirect, veel last van.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat