schei
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- schei
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schei | scheien |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- (molenaarsambacht) een soort van buffer die de verticale beweging van de slagbeitel in een oliemolen opvangt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| scheiden |
schei
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheiden
- Ik schei.
- gebiedende wijs van scheiden
- Schei!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheiden
- Schei je?