schakelde uit
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- scha·kel·de uit
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| uitschakelen |
schakelde uit
- enkelvoud verleden tijd van uitschakelen
- Ik schakelde uit.
- Jij schakelde uit.
- Hij, zij, het schakelde uit.
- Ik schakelde uit.